Kasteel Tongelaar inclusief fotoreportage


COMPILATIE VAN KASTEEL TONGELAAR.

Deze compilatie van Kasteel Tongelaar bestaat uit 14 hoofdstukken en is verzameld en gepubliceerd door Stichting Myllesheem.
kasteel_Tongelaar.JPG
Kasteel Tongelaar

Hoofdstuk 1: Het Mot
Hoofdstuk 2: Wat is het?
Hoofdstuk 3: Tongelaar=Tong+Laar
Hoofdstuk 4: Oppervlakte
Hoofdstuk 5: Ligging
Hoofdstuk:6 Kapel
Hoofdstuk 7: Poortgebouw
Hoofdstuk 8: Binnenplein
Hoofdstuk 9: Toponymen
Hoofdstuk10: Rentmeester, Pachters
Hoofdstuk11: Eigenaren
Hoofdstuk12: Verkoop
Hoofdstuk13: Schatten
Hoofdstuk14: Oorlog 1940
fundering_blootgelegd_Tongelaar.jpg

Hoofdstuk 1; Het Mot. De plaats van het oorspronkelijk kasteel.
Het terreintje binnen de grachten wordt genoemd Het Mot en deze benaming leidt tot de veronderstelling, dat daar een langs de rivieren en in de moerassen veelvuldig voorkomende Motte kastelen zal hebben gestaan
Toen dan ook in 1964 besloten werd tot gedeeltelijk herstel en uitdieping van de gracht, met tegelijkertijd ophoging van Het Mot terrein en daarbij een dragline werd ingeschakeld was het eenvoudig om eerst door het terrein een sleuf te graven ter nadere verkenning van de onderbodem. Reeds bij de eerste hap van de dragline begon de grond te trillen en wist men daardoor met zekerheid, dat de muurresten werden geraakt door de grijper. Nog enkele meters werden blootgemaakt en het werk stilgelegd om de betreffende rijksdienst te waarschuwen. Samen met deze dienst... en onder toezicht werd gezamenlijk de ontgraving voortgezet.
Onder voorbehoud van rectificatie door de rijkdienst voor oudheidkundig bodemonderzoek bij een eventueel rapport kan gemeld worden, dat er gestaan heeft een versterkt huis, niet groot van formaat, vermoedelijk via een brug verbonden met het grotere huis, dat er thans nog staat. Aan de noordkant is een uitstulping in de muur; aan de oostkant en zuidkant van het gebouw werden geen scherven of dergelijke voorwerpen gevonden , hetwelk tot de veronderstelling leidt dat daar geen ramen zijn geweest. Aan de noordoostkant werden voornamelijk botten en kaken van kalveren gevonden, alsook veel slagtanden van evers.
Vele scherven, onder andere van een drinknap van circa 1500 en van Jacobakannetjes en aardewerk van latere perioden ( onder andere Westerwald ) en tenslotte de in Nederland altijd te vinden Bolkskruiken en aardewerk van Petrus Regout , werden aan de oostkant ter hoogte van de veronderstelde brugverbinding met het bestaande gebouw gevonden.
Merkwaardig weinig scherven van wijnflessen ofschoon via nog levende ooggetuigen bekend is, dat de gemetselde wijnrekken in de tot wijnkelder getransformeerde doorgangspoort goed gevuld waren aan het einde van de negentiende eeuw. Wellicht heeft de toenmalige eigenaar van het landgoed de ledige flessen geretourneerd aan een gerenommeerde wijnkoperij in Grave met dezelfde naam als zijn rentmeester.
In de put, welke in de muren werd terug teruggevonden werd geen stukje aardewerk of ijzerwerk teruggevonden.
Zelfs het stalletje, dat aangebouwd moet zijn geweest volgens de gevonden muurresten gaf geen enkel geheim bloot. Men zou geneigd zijn tot de conclusie, dat vroegere schatgravers ons voor zijn geweest, ofwel dat het versterkte huis geen lang bestaan heeft gehad. De muren waren niet zwaar hoogstens 85 centimeter, in tegenstelling tot het thans nog bestaande poortgebouw en dit veronderstellen, dat het gebouw niet hoog is geweest. Veel scherven van leien werden gevonden aan de oostzijde, noord en zuidzijde, maar dit bewijst niets omdat een schilderij van circa 1800 als bedekking van het thans nog bestaande gebouw ook leibedekking aangeeft. Het formaat baksteen van 28 centimeter is hetzelfde als dat van het nog bestaande poortgebouw en van de funderingen van de nog bestaande woonvleugel, welke bij die gelegenheid tevens werd onderzocht.

Hoofstuk 2; Wat is het, Vluchtburcht, versterkt Kasteel of Mottekasteel ?
Als in een charter van 1 oktober 1282 Tongelaar wordt genoemd -castrum et municionem- dan moet de versterking belangrijk geweest zijn.
Essink is van mening, dat Tongelaar oorspronkelijk een vluchtburcht geweest is in de 9e eeuw, toen Vikingen en Hongaren de toenmalige Nederlanden onveilig maakten. Een vluchtburcht, zoals de Hunerschans op de Veluwe en de Hunenborg onder Volthe bij Oldenzaal. De Vlijmense genealoog P. Goossens brengt Tongelaar in verband met de Limburgse successie oorlog. In de jaren 1270 en daarna werden politieke en strategische voorbereidingen getroffen door verschillende pretendenten op de nog open te vallen nalatenschap van Ermengardis van Limburg, die in 1282 kinderloos stierf met alle gevolgen van dien, zoals de slag bij Woeringen.
Ongeveer een kilometer verwijderd van de samenvloeiing van drie beken op het gebied van Tongelaar en wel meer stroomafwaarts ( Raam ) in de richting van Grave op korte afstand van een zompig gebied tegen een hogere akker, genaamd de Kamerberg, ligt een perceel bij de huidige stuw en brug genaamd de Toren . Ofschoon verder hierover niets bekend is, zou men kunnen aannemen, dat aldaar een toren heeft gestaan , en dat er verdere behuizing is geweest zou men kunnen afleiden uit de naam Kamerberg. Ter plaatse van het perceel is nooit een ruïne of fundering gevonden maar dit zou kunnen verklaard worden door het feit, dat de Raam aldaar enigszins verlegd is geweest. Verder in de richting van Grave het zompige gebied rondom Gassel, de Vogelshoek en Escharen.



Hoofdstuk 3; Tongelaar=Tong+Laar . Tongelaar en de Beerse overlaat.
Tongelaar behoort tot de groep der zogenaamde -laar- namen, als Brummelaar, Enkelaar, Herlaar, Hooglaren, Laren, van der Laar, Laarhuis, Stroevelaar, Wagelaar, enz.. Met opzet vermelden wij ook de benaming Donkelaar, omdat -tong(e)-en -donk- van huis uit dezelfde woorden zijn. Donken tonge duiden op een verhoging in het landschap en komen voor in namen als Dongen, Den Dungen, Bourtange, Oude Tonge, Wolfsdonken enz..
Wij zijn geen naamkundige en willen ons niet op het zeer gevaarlijke pad der naamkunde wagen, maar van de andere kant willen wij trachten aan de hand van topografische ligging de naam Tongelaar te verklaren.
Tongelaar maakte eertijds deel uit van een groot bos, waartoe behoorden de Dorshees, de Hierse( Hiersenhof), de Braandonk (Barendonk) en het Borth. Dit woudcomplex is ongetwijfeld een onderdeel geweest van de grote wouden, die in de vroege middeleeuwen rivieren als Maas en Rijn omzoomden en waar heel wat toponiemen in Nederland nog aan herinneren.
In het begin van de negentiende eeuw was Tongelaar nog vermaard om zijn fraaie eikenbossen. Met in de onmiddellijke omgeving van Tongelaar gelegen Borth was in het begin de zestiende eeuw als bos al erg onderkomen, zodat graaf Floris van Buren, in zijn hoedanigheid van (pand)heer van Cuijk, stappen ondernam het Borth wederom in aantrekkelijke staat te brengen.
De naam laar nu kan duiden op een open plek in dit woud en omdat dit laar op een (land)tong in dit woud lag, kan men de naam Tongelaar met het nodige voorbehoud verklaren als open plaats op een relatief hoger gebied dan de omliggende bosrijke omgeving.
Dit gebied was mede door het feit, dat aldaar beken en waterleidingen samenvloeien als de Ottersgraaf en de Biestgraaf die vandaar uit als de zogenaamde Graafse Raam naar de Maas afwateren, een uitmuntend terrein voor de aanleg van een burcht, van het type dat onze oosterburen met de verhoogduitste term Wasserburgen aanduiden. Het oorspronkelijke kasteel Tongelaar lag op een perceel, genaamd het Mot.
Tongelaar stond in vroegere tijden bekend om zijn welige cultuurgronden, die niet alleen, voor zover ze niet als weiden gebruikt werden, geschikt voor roggeteelt, maar ook voor de teelt van gerst en haver. Al te zeer is men tegenwoordig van mening, dat het met de waterhuishouding in de middeleeuwen droevig gesteld was. Lely geeft in 1931 af op het Beerse Maastelsel. Hij noemt dit een middeleeuwse toestand. De woorden middeleeuwen, feodaal en patriarchaal zijn van die termen, die wij meestal te onpas gebruiken. Inderdaad is de Beerse overlaat in de middeleeuwen aangelegd, maar in de middeleeuwen gold de Beerse overlaat als een middel in uiterste nood. De Sint Elisabeths vloed van 1421 frustreerde op een zeer ernstige wijze de waterhuishouding tussen Brabant en Sliedrecht en daardoor transformeerde een zeer groot deel van de zeer vruchtbare en nogal dicht bevolkte Zuid-Hollandse waard in een Biesbosch en werd de zee tot op de dag van heden in de unieke gelegenheid gesteld het bovenwater van de rivieren bij vloed op te stuwen.
Deze toestand en de grootscheepse ontbossingen van rivierwouden zijn oorzaak geweest, dat de Beerse overlaat veelvuldiger en intensiever ging werken dan oorspronkelijk de bedoeling geweest is. De aanleg van de Baardwijkse overlaat in de achttiende eeuw en de voortdurende wijzigingen van de traversen der Beerse en Baardwijkse overlaat zijn toch een duidelijk bewijs, dat de waterhuishouding van de Benedenmaas later een bijna hopeloze zaak geworden is. Het eertijds zeer vruchtbare en fraai aangelegde Tongelaar had ook veel van de slechte waterhuishouding te lijden. Het rijke houtbestand, dat ten gevolge van de krijsverrichtingen in en om de vesting Grave van 1794 en 1813/1814, al een aderlating had ondergaan, kreeg in de twintiger jaren van vorige eeuw de genadeslag. Bij koninklijk besluit van 9 december 1825 werd de Baardwijkse overlaat van 622 op 1022 meter gebracht en veel bossen, bomen en heggen, werden in de traverse der Beerse Maas opgeruimd. De te hoog gelegen gronden werden afgegraven, doch de traverse der Beerse Maas heeft men door de beperkte plaatsruimte niet overal 700 meter breed kunnen maken. Van der Aa schrijft in 1848, dat de zeer fraaie eiken van Tongelaar gerooid werden ter verbreding van de Beerse Maas. Bij koninklijk besluit van 1829 had de eigenaar van Tongelaar ook moeten gedogen, dat enige percelen van Tongelaar onder gemeente Escharen en Gassel met 30duimen verlaagd werden ten behoeve van de Beerse Maastraverse en bij rechterlijke beslissing werden de schadevergoedingen voor de heer van Tongelaar voor 20 percelen onder Gassel en 13 percelen onder Escharen bepaald.
Deed de noodzakelijke verbreding van de Beerse overlaat veel schade aan het landgoed Tongelaar. Deze schade zou nog groter worden door de zeer drastische peelontginningen. De bij Tongelaar samenvloeiende beken ( waterleidingen) kregen veel peelwater te vervoeren. Dit water was landbouwkundig bezien van inferieure kwaliteit. De boeren spraken terecht van het zure Peelwater . Het Beerse Maaswater was door de kleibezinkingen niet slecht voor de weidegronden. Door de vermenging van Peel en Maaswater gingen de gronden in de Beerse Maastraverse hard in kwaliteit achteruit.
De slechte waterhuishouding veroorzaakte niet alleen bij natuurlijke personen als de heer van Tongelaar, maar ook bij publiekrechtelijke rechtspersonen een gevoel van onbehagen, defaitisme, onderlinge tegenwerkingen, twisten en verdachtmakingen. Op 29 mei 1694 had de Raad van State der Verenigde Nederlanden aan de ambtman en de scholtis van de stad Grave en het land van Cuijk, de scholtis was ook de dijkgraaf van het Neder ambt, opdracht gegeven de dijken rondom Beers weer te herstellen. Door het leggen van dijken probeerden de dorpen Cuijk, Escharen, Gassel, Linden en Mill hun bebouwde kommen tegen de Beerse Maas te beveiligen. Beers had dat vroeger ook gedaan en in 1694 moesten de dijken rondom Beers weer beveiligd worden. Van de Mortel verbaast zich er ons inziens terecht over, dat de gemeenten Beers en Haps, hoewel ze daar de bevoegdheid toe hadden, hun bebouwde kommen niet tegen de Beerse Maas beveiligden. De gemeente Haps viel geheel buiten de traverse en de bebouwde kom en bouwlanden in de gemeente Beers vielen daar ook buiten.
Kwam de Maas te Cuijk aan 11,82 + NAP en nog hoger in de eerste decennia van onze eeuw dan liepen de territoria der gemeenten Beers en Haps praktisch geheel onder water.
In februari 1661 werd Gassel zeer zwaar getroffen door ijsgang, stormen en overstromingen en naar aanleiding daarvan verleende de Staten Generaal der Verenigde Nederlanden kwijtschelding van het corpus van Gassel in de betaling der belastingen. Tongelaar wenste daar mede van te profiteren, maar op 27 februari 1663 laten de regenten van Gassel duidelijk weten, dat zij daar niet van gediend zijn, omdat de heer van Tongelaar ook de Gasselse dijken niet hielp onderhouden. Naar alle waarschijnlijkheid had Tongelaar toen al zijn eigen beveiliging stelsel. In 1887 protesteert de Tongelaarse rentmeester Xavier Walter, namens de heer van Tongelaar, tegen de oprichting van het waterschap Rivier de Raam. Volgens Walter was dit waterschap onnodig en nadelig. Tongelaar had zijn eigen kaden en keerdammen. De polder Mars en Wijt en ook Escharense grondbezitters hadden bezwaren tegen de oprichting.



Hoofdstuk 4; De oppervlakte.
Het gebied van Tongelaar is in de loop der tijden niet altijd even groot geweest. Naar alle waarschijnlijkheid heeft de -palus Tongheler- het latere Hollanderbroek, dat in 1844 629 bunders, 35 vierkante roeden en 52 vierkante ellen groot was en toen 66 boerderijen kende, oorspronkelijk tot het domein van Tongelaar behoord. In de veertiende eeuw zijn de gronden van de palus Tongheler al in andere handen dan die van de heer van Tongelaar.
Zo bezat Egbert van der Beeten in 1403 een hoeve lands , gelegen in den broeck van Tongheler , die eertijds was van Arnt Heym van den Poll.
Uitgaande van het feit, dat bovengenoemde veronderstelling juist is, blijkt uit het voorafgaande duidelijk, dat Tongelaar omstreeks 1400 al aanzienlijk kleiner was dan oorspronkelijk.
In 1848 had Tongelaar op het territorium de gemeente:
a) Gassel.....213 bunder, 27 vierkante roeden en 32 vierkante ellen.
b) Escharen...51 bunder, 49 vierkante roeden en 47 vierkante ellen.
c) Beers..........10 bunder, 32 vierkante roeden en 90 vierkante ellen.
d) Linden..........1 bunder, 28 vierkante roeden en 80 vierkante ellen.

Bij de verkoop in 1918 was Tongelaar ongeveer 274 hectaren groot.

Hoofdstuk 5; Ligging van Tongelaar, ten zuiden van het drassige gebied van Grave.
Van de vele vragen, welke opduiken, als men de geschiedenis van een gebied, een stad, een dorp, een versterkt huis of kasteel bestudeert is er wel een van het grootste belang, namelijk onder welke omstandigheden dat gebied, die stad, dat dorp, dat versterkt huis of kasteel is ontstaan.

tongelaar_landelijk_2.JPG
Kasteel Tongelaar landelijk gelegen

In het voorafgaande is reeds uiteengezet op welke wijze de naam Tongelaar, zoals heden wordt geschreven, maar vroeger onder andere Tungelare genaamd, verklaard kan worden. Deze verklaring kan men geloofwaardigheid geven door een beschrijving van het landschap.
De rivier de Maas heeft een laag moerasgebied (thans weiden) als waterberging bij hoge rivierstanden gehad. Dat lager gebied omslaat de stad Grave van oost naar west en breidt zich vandaar ook uit in zuidelijke richting rond de dorpskern van Gassel, de Vogelshoek en de dorpskern van Escharen om daarna weer aan te sluiten bij de wallen van de stad Grave.
Zuidelijk van dit drassig gebied ligt het gebied Tongelaar en het Hollanderbroek.
Het terrein waar nu het huis Tongelaar staat en waar vroeger ook een kasteel van de heren van Cuijk moet hebben gelegen rond 1282, beantwoordt aan de verklaring van de naam. Het zogenaamde Hoogveld, westelijk van het huidig huis, met de daaraan aansluitende hoger gelegen velden en bossen ter grootte van circa 50 hectare, wordt omsloten door lagere velden en moerasachtige weiden, welke na de verlaging van de waterstand door de kanalisatie van de Maas thans normale weiden kunnen worden genoemd.
Benamingen van diverse percelen, zoals Hollanderbroek, Liesbeemd, Hooikampen, Biest en Dellen verduidelijken dit voldoende. De leemputten hebben waarschijnlijk de grondstoffen verschaft voor het bakken van stenen maar zeer zeker voor de wanden van de boerenhuizen en de vloeren van stallen en voor de delen (dorsvloeren).
Behalve de verklaringen van de naam Tongelaar is het ook van belang te trachten te verklaring te vinden voor de stichting van een belangrijke versterking.

Hoofdstuk 6; St. Catharina Kapel.
In 1377 zou, volgens de deken van Cuijk in een schrijven van 11 januari 1802 aan de vicaris-generaal van het bisdom Roermond, op kasteel Tongelaar door de heer van Cuijk een beneficie van Sint Catharina gefundeerd zijn. Omstreeks 1400 wordt de Tongelaarse kapel aangeduid als kapel van Sint Catharina in Tongelaar; in de periode 1421-1556 wordt de kapel ook weleens naar O.L. Vrouw vernoemd.
In het begin van onze eeuw was in de kapel een klein plat altaar en een kleine biechtstoel met houten traliewerk.
De kapel van Tongelaar ressorteerde tot omstreeks 1800 onder de parochie Escharen. Op het einde van de zeventiende eeuw schijnen de heer van Tongelaar en zijn pachters geneigd geweest te zijn zich van de parochie Escharen af te scheiden en een aparte parochie te gaan vormen , maar op 14 november 1690 laat de Roermondse bisschop duidelijk weten, dat Tongelaar parochieel onder Escharen moet blijven ressorteren. Bij de afscheiding van Gassel van de parochie Escharen schijnt de toenmalige eigenaar van Tongelaar op de hand van de pastoor van Escharen geweest te zijn, want de deken van Cuijk berichtte op 3 december 1800, dat de eigenaar van Tongelaar niets van de Gasselsche nieuwigheeden wilde weten en dat Tongelaar kerkelijk nimmer onder Gassel mocht ressorteren en de pachters op Tongelaar onder Gassel in die parochiele verwikkelingen helemaal geen recht van spreken hadden.
Schutjes beweert, dat de combinatie rentmeester-kapelaan van Tongelaar in de achttiende eeuw een gebruikelijke combinatie was en dat dezen aan de omliggende pastoors veel onderstand verleenden. In onze ter beschikking staande bronnen hebben we alleen bij Walter bovenstaande combinatie gezien. De oudste van ons bekende slotkapelaan is Jan van Malle geweest. Deze wordt in 1427 vermeld. Omstreeks 1444 neemt zijn, vermoedelijke directe, opvolger Willen Cock ontslag en in 1445 draagt Cornelis van Merwick clericus Dirk Janzoon Rutgers als kapelaan van Tongelaar voor. In 1523 is sprake van kapelaan Hendrick (van) Merwijck.
Op 12 maart 1707 verplicht de heer van Tongelaar zich en zijn rechtsopvolgers aan Nicolaus van Els uit Sambeek boven de kost en inwoning op Tongelaar jaarlijks fl. 100,-- te geven voor het lezen van vier weekmissen en voor het geven van catechismus. Op 16 maart daar aan volgend verleent de bisschop van Roermond, op verzoek van de heer van Tongelaar, admissie aan voornoemde van Els, clericus van het diocees Roermond tot het verrichten van de zojuist vermelde taken. De term clericus betekent tot de geestelijke stand behorende en impliceert nog geen priesterlijke waardigheid. De in Sambeek geboren van Els werd aldaar op 17 juni 1680 gedoopt en ontvangt na vernoemde admissie op 18 maart1707 de subdiaken en op 9 april daar aan volgend de diakenwijding.
We hebben er in de vorige paragraaf al op gezinspeeld dat de financiële toestand voor de heer van Tongelaar in de twintiger jaren van de achttiende eeuw niet zo gunstig was. Zijn rechtsopvolger La baronne de Rommerswael dame te Tongelaar trof op 11 september 1733, volgens de Escharense pastoor J.F. Bloemarts, een regeling met kapelaan van Els. Deze regeling hield het volgende in:
1) de Vrouwe van Tongelaar verklaarde aan van Els tot 15 augustus 1733 een bedrag van fl. 1.200,-- schuldig te zijn wegens achterstallige kapelaanstractementen.
2) deze schuld zou op de volgende wijze gedelgd worden:
a) door een jaarlijkse lossing van fl. 100,-- aan van Els
b) door een jaarlijkse lossing aan van Els neef Josephus van Els, indien van Els overleden mocht zijn, van fl. 200,--
In 1840 is nog sprake van twee weekmissen tot de intentie van de familie van de eigenaars van Tongelaar in de Tongelaarse kapel.
Op 31 augustus 1804 werd in Grave Felix C.F.R. Walter geboren. Deze werd in oktober 1828 tot priester gewijd en overleed op 21 december 1874 op kasteel Tongelaar. Felix Walter is vele jaren rentmeester-kapelaan geweest. Hij verwierf grote bekendheid met de directe en indirecte stichting van een Dominicanenklooster en parochie te Langenboom.
kasteel_Tongelaar1953.jpg



Hoofdstuk 7; Poortgebouw en omgeving.
Er heeft geen muurverbinding bestaan tussen het versterkte huis en het nog aanwezige poortgebouw.
Zuidelijk van het poortgebouw ligt de boerderij de Benedenhof . Weer zuidelijk daarvan en aansluitend daaraan rentmeestersweidje , de Burcht en de Nachtweide. Noordwestelijk van het Mot ligt Kapellekampje. In dit kampje werd enkele jaren geleden een bijna complete grote blauwgrijze aardenpot opgegraven, jammer genoeg zonder de legendarische gouden of zilveren inhoud.
De noordelijk van het bestaande gebouw gelegen tuin is omgeven dooreen sloot welke vroeger veel breder was en men gracht zou hebben kunnen noemen. Deze had verbinding met de door deze percelen lopende tochtsloot. Rond 1920 bestond van daaruit een brede grachtverbinding met de Raam.
Aan de zuidkant van het poortgebouw heeft een ophaalbrug toegang gegeven. De uitslag in het muurwerk is zuidwaarts gericht. De rollen voor de kettingen zijn nog aanwezig in de muur. Uitstekende hardstenen aan de binnenzijde moeten verhinderd hebben dat de deuren met een koevoet konden gelicht worden. De draaipunten voor de deuren zijn nog aanwezig. Ook de noordzijde van het poortgebouw vertoont hetzelfde beeld aan de binnenzijde. Of er aan die zijde een valbrug heeft gelegen is niet meer na te gaan, omdat in een latere periode een vleugel daaraan gebouwd is.
Op de eerste verdieping zijn ramen aan noord- en zuidzijde, waarvan de zuidzijde nog bruikbaar is, maar het noordelijke raam ook niet meer wegens aanbouw. Er bevinden zich op deze verdieping ook spiegaten naar noord en zuid.
De open haard in dit vertrek is ongeveer 15 jaren geleden in zijn oorspronkelijke toestand hersteld. Zoals gebruikelijk is er een stilletje. Tot voor 15 jaren heeft er nooit een glasraam ingezeten maar was de opening afgesloten door staven, terwijl aan de binnenzijde luiken zaten. In tegenstelling tot het tongewelf beneden, is hier hier een kruisgewelf aanwezig.
Het vertrek op de tweede verdieping is eerst kort geleden hersteld. De muren waren zichtbaar opgelapt met allerlei stenen en pannen, aaneengeplakt met bruine leem. Deerlijk gehavend met als enig interessant gegeven een open schouw. De trappen en gewelven waren deels verdwenen. Het metselwerk in het trappenhuis toonde dikte.
Duidelijk, dat er nog een verdieping boven de tweede is geweest. Het exterieur van de nu tamelijk plompe toren deed ook vermoeden, dat de toren in vroeger tijden een grotere hoogte heeft gehad. Toen in 1967, naar aanleiding van een onderzoek bleek, dat in de muren van de tweede verdieping eveneens spiegaten waren geweest, maar dan naar de vier windzijden, zijn deze opengebroken en is thans de kamer zo goed mogelijk hersteld, zij het dan dat geen gewelf is aangebracht, maar de dakconstructie is origineel gehouden, dat wil zeggen een houten kap met pannen gedekt en met stropoppen (dokken) onderschoten.
De eerste en tweede verdieping waren tot voor twintig jaren terug gestukadoord, maar in deplorabele toestand. Het originele metselwerk onder de pleisterlaag op de eerste verdieping was nog behoorlijk gaaf. Op de tweede verdieping moest, zoals reeds vermeld, praktisch het gehele muurwerk hersteld worden.
Onder de begane grond bevindt zich een kleine gevangenis, waarin circa 15 jaren geleden bij opgraving een zware stenen bal met ring en kogelrond hangslot werd gevonden.
Tenslotte nog vermelding van het feit, dat ter hoogte van circa 8 meter aan de zuidzijde de restanten van een natuurstenen.... zichtbaar is, vermoedelijk gebruikt ter bevestiging van een wapenschild boven de ingang. De fundering van de toren bestaat uit enkele lagen hardsteen en ligt in de zomer gelijk met het waterniveau. De weg aan de zuidzijde van de gracht is tamelijk hoog, zodat men enigszins neerkijkt op de toren. Een aanwijzing dat de waterstand in vroegere eeuwen niet zo hoog was. Onder het plein binnen de muren werd dan ook een stenen plaveisel gevonden op circa 50 centimeter onder het huidige maaiveld, hetwelk aantoont, dat eerst in latere eeuwen de waterstand te hoog werd en het plein gevaar liep. Trouwens nog in de jaren 1910/1920 werden bij hoge waterstanden bij het overlopen van de Beerse Maas, het vee van de pachters naar het plein gevoerd om daar nog droog te kunnen staan.

Hoofdstuk 8; Binnenplein en daaraan liggende gebouwen.
De westvleugel van het gebouw rondom het binnenplein dateert uit het einde van de achttiende of beging van de negentiende eeuw en heeft het karakter van Neder rijns/Noord Limburgse bouw. Deze vleugel is gebouwd op een fundering van stenen van het formaat van de toren, maar dit bewijst nog niet, dat die fundering veel ouder is. Vaak kwam het voor, dat de stenen van een ouder elders afgebroken gebouw werden gebruikt voor fundering van een nieuwbouw.
Tegen de noordgevel van de toren zal voordien wel een kapel hebben gestaan, want deze gevel kan men op de zolder thans nog de rand en het gekalkte kruis zien, dat dikwijls in een kapel werd aangebracht. De plaats van het kruis buiten het midden van de huidige muren doet vermoeden, dat de kapel op weer andere fundering heeft gerust. Na afbraak van die kapel is dan het noordoostelijk deel van het gebouw gebruikt als kapel. Het als kapel ingerichte vertrek was circa 6 bij 5 meter met aanbouw van een sacristie en een vertrekje waarin de biechtstoel was geplaatst.
De noordvleugel is van een oudere datum, geschat wordt achttiende eeuw. Er liep een binnengang langs het plein van waaruit een vijftal kamers bereikbaar waren.
Bij het uitgraven van de noordoostelijke vertrekken, waarin thans gaskoelcellen voor fruit, vindt men de funderingen van vier pijlers , met daartussen de resten van verbrand hout. Dit zou aanleiding kunnen geven tot de veronderstelling, dat eeuwen geleden, vroeger ter plaatse een grote aan vier zijden open schouw heeft gestaan. Het zwaar beschadigde sierlijk stucwerk, de vorm van schouwen in de vertrekken die intussen zijn verwijderd bij verbouwingen, deden denken aan regelmatige bewoning door de eigenaars van Tongelaar in de negentiende eeuw.
Wat betreft het meubilair in huize Tongelaar is alleen te melden dat bij de verkoop in 1917 niets meer aanwezig was. De huidige verzameling antieke meubels komt uit het bezit van de huidige eigenaars met uitzondering van een portret van kapelaan-rentmeester Felix Walter, die als begunstigde van het met zijn middelen gestichte convent van Dominicanen te Langeboom ook zijn geschilderd portret daar achter liet. Via pater van Wagenberg O.P. kwam dit portret in handen van mevrouw Aghina geboren van Wagenberg, en hangt dit portret weer aan de muur van het vertrek, waar rentmeester Felix Walter een honderd jaar geleden heeft gewoond.

Hoofdstuk 9; Uitleg van Toponymen.
Tuinen, weiden en boerderijen.
De tuin of hof ten noorden van het kasteel omzoomd, zoals heden nog, door een beukenhaag was in de jaren 1910/1920 nog voorzien van paden, bloemen en fijnere vruchtbomen, zoals bij een dergelijk huis behoorde.
Op de Nachtweide ten zuiden van het kasteel en tegen de Raam aangelegen zijn in de vele jaren bij diep ploegen nog brokken bak- en mergelsteen naar boven gekomen. Ook zijn daar rondom 1900 munten gevonden, maar niets is bekend omtrent aantal, ouderdom of herkomst.
De naam Nachtweide zou kunnen wijzen op een door grachten beschermde weide, waarin het vee in onrustige tijden 's nachts werd geborgen, zoals bij oude versterkingen en kastelen vaak het geval was.
Ten noorden en aansluitend aan het Kapellekampje ligt de boerderij de Ooievaar, maar of deze naam verband houdt met dopen in de kapel ofwel een kapel daar heeft gestaan met het gebruikelijke ooievaarsnest op het dak, zoals nu nog sporadisch in polderstreken tussen Heusden en Gouda, is niet bekend.
Voorheen behoorden tot het landgoed de boerderijen: Groot-Garisveld, de Tien Morgen, plus een boerderij in de Vogelshoek, genaamd de Heihoek, alsmede de thans nog tot het goed behorende boerderijen genaamd: Groot Kamerberg, Klein Kamerberg, de Meyesche Voort, Klein Garisveld, De Benedenhof De Ooievaar, De Doelen.
De naam van de laatstgenoemde boerderij zou erop kunnen wijzen, dat er een schuttersdoel gevestigd is geweest. Men meent te hebben horen vertellen , dat er een kegel- of kaatsbaan was. In de kasteelgracht werd nog een houten kegelbal gevonden.

Hoofdstuk 10; Rentmeesters en pachters.

De verdwijning van het huis- en rentmeesters archief is er debet aan, dat onze gegevens tot betreffende de rentmeesters en pachters zeer schaars zijn. Wij hopen desondanks in staat te zijn nog een vrij dragelijk verhaal betreffende die rentmeesters en pachters te kunnen samenstellen.

Rentmeesters;
Hun taak en macht was in de negentiende- en twintigste eeuw groter dan in de voorafgaande eeuwen, doordat de eigenaars van Tongelaar in de negentiende- en twintigste ( periode 1900-1917 ) eeuw nog zeer sporadisch, hoogstens 1 of 2 dagen per jaar, op Tongelaar kwamen. In het begin van deze eeuw logeerde de heer van Tongelaar, wanneer hij Tongelaar bezocht niet eens meer op ket kasteel, doch ten huize van de familie Walter te Grave.
De twintigste -eeuwse rentmeester C.A.H. Walter kon de weelde van een grotere zelfstandigheid niet verdragen en haalde zich het ongenoegen van de Markies op de hals door eigenmachtig 2 bunders met fruitbomen te beplanten. Wij willen in het midden laten of hij eervol of oneervol ontslagen is. Walters opvolger was J.A.M. van de Mortel, die ook burgemeester der gemeenten Cuijk & Sint Agatha en Linden geweest is.
In 1657 is sprake van rentmeester Andries de Swart. Deze , die in een Millse schepenbrief van 11 maart 1658 de titel heer voor zijn naam draagt, was gehuwd met juffrouw Catharine van der Linden. Een bewijs, dat hij een behoorlijke image had. Op 27 februari 1663 wordt Joost Crimen als rentmeester vermeld. Op 17 mei 1705 wordt op Tongelaar ten overstaan van notaris Rutger de Haen de rentmeester Johan Crebber jr. door zijn heer gemachtigd een ruiling te bewerkstelligen van een Cuijks leengoed onder Linden, zijnde een waard van ongeveer 3 Hollandse morgen en genaamd den Langen Hoed, tegen een weikamp onder Gassel.
Op 29 augustus 1707 overhandigt rentmeester Crebber met zijn heer aan notaris de Haen het op 6 december 1704 vervaardigde testament van de echtelieden van Berchem-Kieffel.
Thoon Burgers jr., vermoedelijk een zoon van Tonijs Burgers, die bij de overeenkomst van 22 oktober 1716 tussen Tongelaar en de regenten van Gassel betrokken was, wordt op 26 oktober 1717 door de heer van Tongelaar tot rentmeester aangesteld.
Op 6 januari 1814 wordt G. van Entbrouck als rentmeester vermeld. Deze verzoekt omstreeks 1820 de Gasselse burgemeester A. Poos politionele maatregelen te treffen ter beteugeling van houtstroperijen op Tongelaar.
De seculiere priester Felix Walter is de meest bekende rentmeester geweest . Diens portret hing omstreeks 1900 in de jachtkamer van het kasteel en hangt momenteel nog aan de wand van een der vertrekken van Tongelaar. Zijn gelaat vertoont veel gelijkenis met dat van zijn achterneef F.X. Walter, de Graafse wijnkoper, Felix Walter werd op 4 november 1862, in een voor notaris Charles van Keersberhen te Sint Lamberts Woluwe verleden akte, gemachtigd door de in Malleville (arrondissement Moriban in Frankrijk ) wonende heer en vrouwe van Tongelaar te onderhandelen met de besturen der gemeente Beers en Mill & Sint Hubert. Resulterende in de overeenkomsten van 14 oktober 1865 en 25 januari 1866.
Zijn opvolger was zijn neef. F.X.P.R. Walter.

Pachters;
Het zijn van pachter van Tongelaar verleende een zekere status. Op 5 september 1757 vermeten de Tongelaarse pachters Evert Jans en Willem Teunissen zich schepenen en burgemeesteren der heerlijkheid Tongelaar te noemen, wanneer zij een attestatie van Hermen Gerrits verstrekken. Het was dan ook wel een hele domper, toen de eigenaar van Tongelaar in 1800 in elk geval voor 1 december 1800, aan de pastoor van Escharen berichtte, dat zijn pachters onder het ressort van Gassel geen vaste ingezetenen van Tongelaar waren, omdat de Tongelaarse hoeven om de drie jaren verpacht werden. Dit was geen zindelijke mededeling. Goed, de boerderijen mochten dan periodiek verpacht worden, dit impliceerde geenszins, dat er telkens nieuwe pachters op kwamen. In de voorafgaande paragrafen hebben wij al gezien, dat de pachters van Tongelaar bepaalde voorrechten in het ressort van Gassel hadden. Ten aanzien van de heer van Cuijk was hun positie minder bevoorrecht dan de eigen pachters van de heer. Zo moest de bouman van de Camerberg bij tijd en wijle hofdiensten verrichten voor de heer van Cuijk; in tegenstelling tot de pachters van Gasselse hoeve ten Holt, die dienstvrij was, omdat die hoeve deel uitmaakte van het domein van de heer van Cuijk.
In juni 1665 is sprake van de volgende pachters van Tongelaar:

Escharen:
Hendrik Rommen op het goed, eertijds van jonker Jeger, een huis vol kinderen, grote schulden en 2 paarden;
Thonis Peeters op de Camerberch, 2 paarden;
Gerrit Peeters op de Camerberch, 2 paarden.

Gassel:
Thonis Ariens op de Meijsevoort, 10 à 11 kinderen en 2 paarden;
Jan Jooseps, 5 kinderen en 2 paarden;
Jan Theunissen, 2 paarden;
Wilbert Thonissen, 3 kinderen en 2 paarden;
Peter Willems, 7 à 8 kinderen en 2 paarden;
Reijn Jans, een lamme vrouw, 5 à 6 kinderen en 2 paarden.
Op 13 februari 1704 is sprake van de volgende pachters in het ressort van Gassel, te weten Peter Kersten, Sibert Jans, Jan Reynen, Peter Hendricx, de weduwe Jan Sibers en Lambert Hendricx. Op 22 oktober 1716 worden de volgende pachters onder Gassel vermeld:
Johan Reijnen, Peeter Kerstens, Sibert Janssen, Peter Hendricx, Lambert Hendricx en de weduwe Jan Sibers.
De economische positie met een daarbij gepaard gaande juridische positie van de pachters was niet altijd even gunstig. De pachter Gerrit Jan Leenders en diens vrouw Anneken Gerrits op de Camerberch zaten op zwart zaad, zij hadden een achterstalligheid in de betaling van de pacht en daarom werden zij op 28 april 1724 gedwongen aan hun heer te cederen al hun gerede meubelen als een bed, koper, tin, ijzer, kist, kast, tafel, stoelen en banken , drie paarden , vijf melkkoeien, drie guste koeien, vijfenveertig schapen met lammeren, negen grote en kleine varkens, lange kar, korte kar, ploeg enz. Omdat wij niets van de omstandigheden weten kunnen wij de heer van Tongelaar er niet hard om vallen.
De heer van Tongelaar zat er omstreeks die tijd ook niet goed bij. Aankopen van gronden, het voeren van processen en het regelen van de nalatenschap kosten veel geld. De verkopers, advocaten, procureurs en landschrijvers moeten nu een betaald worden.
De pachter J. Bartels, wiens zoon in Escharen woonde, was ten tijde van rentmeester C. Walter opzichter van Tongelaar. Hij woonde op het kasteel. Zijn zoon August is pachter op de Meisevoort geweest. Deze mocht omstreeks 1905 met rentmeester Walter een paar dagen naar het landgoed van de markies in België, hij had het daar zeer goed gehad, veel wijn en kleine aardappeltjes.

Hoofdstuk 11 : De eigenaren van Tongelaar.

1282...LEENHEER FLORIS V
?... 1382...LEENMAN JAN I VAN CUIJK / LEENMAN WILLEM VAN CUIJK
1445...CORNELIS VAN MERWICK
1500...WILLEM VAN MERWICK
1520...JOHANNA VAN MERWICK GEHUWD MET ARNT VAN BOCHOLT
1540...FLORIS VAN BOCHOLT GEHUWD MET MARIA VAN VARICK
1590...MARIA VAN BOCHOLT GEHUWD MET ANTON VAN BERCHEM
1615...HENDRICK VAN BERCHEM GEHUWD MET ISABELLA REVELASCO
1640...FLORIS VAN BERCHEM GEHUWD MET ANNE PLACIDE TSERCLAES
1700...HENDRIK ANTOON VAN BERCHEM GEHUWD MET AGATHA CLEMENCIA KIEFFEL
1740...JOSEPH DE HINNISDAEL GEHUWD MET ISABELLA CHARLOTTE VAN HOENSBROEK
1760...HENRI BERNARD DE HINNISDAEL
1840... MARIE G.TH. DE THIENNES-LOMBIZE EN FRANCOISE L.G. DE THIENNES-LOMBIZE
1815... FRANCOISE L.G. DE THIENNES LOMBIZE
1860... CAETAN M.A.M.G. MARKIES DE LA BOESSIERE-THIENNES
1917... VERKOOP AAN LOUISA M.C. VAN NISPEN
1918... VERKOOP AAN DE GEBROEDERS VAN WAGENBERG
2000... BRABANTS LANDSCHAP
Opmerking:
Wegens het ontbreken van enkele gegevens is de opvolging niet compleet.

KasteelTongelaarKinderen.JPG
Kinderen van landgoed Tongelaar


De heren en vrouwen van Tongelaar.
Op 1 oktober 1282 draagt Jan I , heer van Cuijk zijn versterkt kasteel Tongelaar met bijbehorende privaatrechtelijke goederen op aangraaf Floris V. Deze is slechts een ogenblik de volle eigenaar van Tongelaar, want hij geeft direct Tongelaar aan Jan I in leen. Jan van Cuijk was dus op 1 oktober 1282 eerst volle eigenaar en enige ogenblikken later een zakelijke gerechtigde. Tot en met 4 mei 1296 blijft Floris bloot-eigenaar van Tongelaar en Jan van Cuijk zijn leenman voor Tongelaar. Op 5 mei 1296 verklaart Jan Floris de oorlog en wordt de leenbetrekking verbroken.
Floris wordt op 27 juni 1296 vermoord... en wie is de schuldige? de grote schurk, natuurlijk Jan van Cuijk, en wie is de zoete, brave jongen?, natuurlijk Floris V. In de taal van de Western is Jan de schurkachtige bandiet en Floris de sheriff met de witte hoed. Er waren heel wat lieden in ons lieve vaderland, en misschien nu nog, die zo ongenuanceerd dachten, niet beseffende, dat zij op deze manier met Clio, de muze der geschiedenis, omspringen als was laatstgenoemde een saloongirl.
In 1852 schreef de Amsterdamse kapelaan J.J. van der Horst een brief aan Graafse notabelen om dezen er van te weerhouden een standbeeld ter ere van Jan van Cuijk in de stad Grave op te richten. Enige citaten willen wij u niet onthouden.
-Maar een ding is zeker: wil de natie, of een gedeelte der natie aan "de helden van het vaderland een erezuil oprichten, dan moet die held, die persoon of wie hij weze moge, voor het publiek ook verschijnen "als-ab omni parte bonus.
-De stad Grave heeft grote verplichtingen aan hem alles waar! Maar hij heeft mede samengespannen tegen graaf Floris V, was zelfs een de grootste aanvoerders van het eed gespan en heulde direct met "de koning van Engeland....
-Ik raadpleegde er mijn vriend, de heer J. Alberdingk Thijm over en die schreef mij terug: Maak vooral werk van deze zaak geen revolutionair mag door ons vereerd worden, dan zijn wij verloren""...en ge begrijpt dus, dat de stad Grave door aan Jan van Cuijk een standbeeld op te richten, wel geheel Holland in tegenspraak zou komen "Wat men zegt: de katholieken zouden zelfs genoodzaakt worden om openlijk te verklaren, dat zij de verering van Jan van Cuijk evenzeer afkeuren en laken als die van Willem van Oranje....
Wij vallen van der Horst niet aan. De publicaties van Hugenholtz en Weiler hebben ons wel enig verdriet aangedaan, al zijn wij heus niet boos op hen. Hugenholtz rept met geen woord over Tongelaar en Weiler doodverft Jan van Cuijk als een lid van de Hollandse-Stichts-Brabantse groep van edelen. Wij willen op een korte en bondige wijze benadrukken, dat Jan van Cuijk voor de stad Grave en het land van Cuijk de onmiddellijke leenman van de keizer van het H. Roomse Rijk was. Graaf Floris V en hertog Jan van Brabant hadden in het territoir van Grave en Cuijk in publiekrechtelijke zin niets in te brengen. Natuurlijk was Jan van Cuijk een leenman van Floris V wat betreft Tongelaar. Floris mocht daar troepen legeren en dan kon hij van Tongelaar uit de stad Grave bedreigen door de watertoevoer van de Graafse grachten af te sluiten. Natuurlijk was Jan van Cuijk een leenman van de Engelse koning en natuurlijk ook van de hertog van Brabant. Maar Floris V was als graaf van Holland tot 10 oktober 1283 voor het zuidelijke gedeelte van Holland een leenman van de hertog van Brabant. Floris was bovendien ook nog een leenman van de Franse koning. Jan van Cuijk en zijn handlangers, de heren van Amstel, van Velsen en van Woerden, hebben nimmer de bedoeling gehad Floris te doden. Floris moest gearresteerd en aan de koning van Engeland uitgeleverd worden. Jan van Cuijk was bij die arrestatie niet aanwezig en hij kan ook niet aansprakelijk gesteld worden voor de op Floris in paniek begane moord.
Jan van Cuijk heeft zich naar de normen van die tijd zeer gentlemanlike gedragen door zeven weken voor de plaatshebbende arrestatie Floris op een plechtige, volkomen protocollaire wijze de oorlog te verklaren.
Wij hebben wel wat lang bij Jan en Floris stilgestaan, maar dat was nodig ter bevordering van een zindelijke geschiedschrijving. Op Tongelaar terugkomend kunnen wij zeggen, dat voor 1 oktober 1282 Tongelaar een domein van de Heren van Cuijk; in de periode van 1 oktober 1282 tot en met 4 mei 1296 een door de heer van Cuijk van graaf Floris V in leen gehouden goed en van 5 mei 1296 tot... weer een domein was van de heren van Cuijk.
Wanner Tongelaar geen domein meer was van de heer van Cuijk weten wij niet. Wij kunnen slechts gissen, dat Jan, gezegd van Tongelaar, die op 5 november 1347 als huiseigenaar in Grave vermeld wordt, telg is van het geslacht van Cuijk en Tongelaar in leen had zijn over Cuijk en Grave regerende neef. In een Hoogstraatse akte van 16 oktober 1382 is sprake van een Willem van Cuijk van Tongelaar. De mogelijkheid is aanwezig, dat deze Willem geïdentificeerd kan worden als een zoon van de zo even vermelde Jan van Tongelaar, en als dat het geval is, is deze Jan van Tongelaar beter bekend als Jan van Cuijk, ridder en heer van Minderhout over 1360-1398. Maar het blijven gissingen.
Op 20april 1448 is er sprake van een Cornelis van Merwick , als de heer van Tongelaar. In een andere bron is in 1445 al sprake van een Cornelis van Merwick als heer van Tongelaar. Zijn zoon Willem van Merwick, de ambtman van Kessel (Overkwartier van Gelre) was ook heer van Tongelaar. Willen van Merwick stierf voor 19 september 1513, want op die dag had er een maagscheiding plaats waarbij Johanna van Merwick, de dochter van Willem, die gehuwd was met Arnt van Bocholt, ambtman van Grave en Cuijk, de goederen van Tongelaar verkrijgt. Hun zoon Floris van Bocholt verkreeg op 14 augustus 1538 het gehele goed Tongelaar met al zijn gerechtigheden, waaronder een perceel peelgrond op de Baen en een rente van 9 malder rogge uit de Tongelaarse hoeve Camerberg onder Escharen, zijn moeder Johanna van Bocholt, geboren van Merwick, bleef echter in het genot van een vruchtgebruik van twee hoeve van Tongelaar.
Bij het huwelijksverdrag van Floris van Bocholt en zijn bruid Adriana van Veltbruggen van 20 april 1545 belooft Floris het huis en de hof van Tongelaar met alle daaraan verbonden goederen in te brengen. Niet bij deze vrouw, doch bij zijn vierde echtgenote Maria van Varick, zou Floris een dochter verwekken met name Maria, die in het huwelijk zou treden met Anton van Berchem, heer van Berchem bij Antwerpen. Deze zou gestorven zijn in 1597. Maar op 10 april 1598 cederen Vierlingsbeekse schepenen aan hem, in zijn hoedanigheid van ambtman, een vordering van fl. 225.-- op Mr. Peter Semmers, eertijds Franse schoenmaker te Grave. Een Gasselse schepenakte vermeld het echtpaar van Berchem-van Bocholt nog op 31 januari 1602.
Hun zoon Henrick, heer van Berchem, volgde als heer van Tongelaar op. In een Gasselse schepenbrief van 7 oktober 1614 is van deze Henrick van Berchem als heer van Tongelaar sprake . In een Gasselse akte van 7 november 1618 is eveneens sprake van diens gemalin Isabella Revelasco. Uit dit huwelijk werd een zoon Floris van Berchem geboren, die ook heer van Tongelaar geweest is. Deze was gehuwd met Anne Placide Tserclaes. Floris wordt op 21 oktober 1654 nog als heer van Tongelaar vermeld. Op die dag draagt zijn zuster Isabelle, die
gehuwd was met de heer van Capelle en Campenhout, aan de broer Floris van Berchem, heer van Tongelaar, en zijn erven al haar rechten op Tongelaar op. Deze rechten waren haar aanverstorven van wijlen haar broer Jasper van Berchem. Op 12 december 1660 is nog sprake van Floris als heer van Tongelaar. Diens zoon Hendrik van Berchem is tot 10 januari 1729 heer van Tongelaar geweest en heeft voor Tongelaar zeer veel betekend. Hij wordt op 12 mei 1666 voor het eerst in de Gasselse schepenprotocollen vermeld. Op 25 september 1672 wordt hij heer van Tongelaar, want op die dag draagt Mr. Johan de Meijer, de Graafse advocaat, als gemachtigde van jonker Floris van Berchem, aan hem de heerlijkheid Tongelaar met alle landen, bossen, beemden, enz. op onder conditie, dat jonker Floris van Berchem het vruchtgebruik krijgt van de op zijn voornoemde zoon verstorven goederen van wijlen vrouwe Anna van Berchem, geboren Tserclaes.
Hendrik Antoon van Berchem was gehuwd met Agatha Clemencia Kieffel, vrouwe van Creijnhem en Sint Pieters en Sint Lamberts Woluwe. Uit dit huwelijk werd een dochter Marie Anna Florence Therese van Berchem, erfdochter van Tongelaar, geboren. Deze overleed op 31 december 1687 en was gehuwd met François de Hinnisdael.
Op 8 juni 1701 maken Hendrik Antoon van Berchem en zijn vrouw Agatha Clemencia Kieffel een testament, waarbij Joseph en Dorothea de Hinnisdael, hun kleinkinderen, tot erfgenamen aangesteld worden, indien voornoemde kleinkinderen bij het openvallen van het testament gestorven mochten zijn, zullen de kinderen en wettige erfgenamen van Hendrik Boot de in het land van Cuijk gelegen goederen, waaronder Tongelaar erven, en hun schoonzoon François de Hinnisdael zal dan twee hoeven onder Escharen ( waarschijnlijk de Camerberg ) en een onder Linden gelegen weide, genaamd het Heilig Land, krijgen.
Op 21 mei 1704 getuigen de Cuijkse notaris Rutger de Haen en Gijsbert Ebben en Jan Jans op huize Tongelaar het voornoemde testament op verzoek van de testateurs van Berchem-Kieffel geopend te hebben en bevonden te hebben, dat Joseph en Dorothea de Hinnisdael erfgenamen zijn. Op 6 november 1704 maken voornoemde echtelieden een besloten testament of codicil, dat Hendrik Antoon van Berchem en diens rentmeester op huize Tongelaar op 29 augustus 1707 aan notaris de Haen ter hand stellen. Op 7 september 1715 opent de Brusselse notaris A.G. van Halen het testament van 8 juni 1701 en vervaardigt tevens een uittreksel van de daarin voorkomende fideï-commissaire clausule. Op 10 februari 1717 ontneemt de heer van Tongelaar de aan de Brusselse advocaat J.Th. de Stucker verleende machtiging en machtigt J.F.Ph Tserclaes te Brussel tot het behandelen van zijn zaken in Spaans Brabant. Op 4 maart 1717 wordt voornoemde de Stucker door de heer van Tongelaar, in diens hoedanigheid van grootvader en momber van Joseph de Hinnisdael heer van Creijnhem en Sint Pieters en Sint Lamberts Woluwe, en van juffrouw Dorothea de Hinnisdael, gemachtigd processen te voeren voor de Raad van Brabant in Brussel en andere gerechtshoven en rechtbanken in de Zuidelijke Nederlanden. Op 16 april 1723 transporteert en cedeert de heer van Tongelaar, als weduwnaar van Agatha Clemencia Kieffel, aan zijn kleinzoon Joseph de Hinnisdael de heerlijkheden Creijnhem en Woluwe.
De successie van Tongelaar wordt nog gecompliceerder, wanneer Hendrik Antoon van Berchem op 12 augustus 1723 een testatoir codicil maakt, waarbij de reeds eerder ingestelde erfgenamen als erfgenamen gehandhaafd blijven, doch, indien dezen of hun kinderen bij het openvallen van het testament overleden mochten zijn, de eventuele vrouw van Joseph de Hinnisdael en de eventuele man van Dorothea de Hinnisdael de goederen verkrijgen zullen, mits deze vrouw en man niet hertrouwen, en hertrouwt er een dan krijgt, die niet hertrouwt, die goederen. Na het overlijden of hertrouwen van de weduwe van Joseph of de weduwnaar van Dorothea zullen de goederen van Tongelaar en anderen goederen in het land van Cuijk komen aan H.A.J. Tserclaes ( diens rechtsopvolger onder bijzondere titel).
Op 3 januari 1729 opent de Brusselse notaris A.G. van Halen het testatoir codicil en op 2 maart 1730 verklaart hij, dat J.P. Tserclaes executeur-testamentair is. Op 1 april daar aan volgend overhandigt Tserclaes het testament van het echtpaar van Berchem-Kieffel en het testatoir codicil van Hendrik Antoon van Berchem aan de Leenhof van Brabant te Brussel.
Na het overlijden van Hendrik Antoon van Berchem treedt op 11 september 1733 "La Baronne de Rommerswael als dame de Tongelaar op.
Vermoedelijk kan zij vereenzelvigd worden met Isabelle Charlotte van Hoensbroeck, die gehuwd was met Joseph de Hinnisdael. Uit het huwelijk van het echtpaar de Hinnisdael-Hoensbroeck werd in 1725 Henri Antoine Bernard de Hinnisdael geboren, die in 1753 huwt met Marie Therese Margarete Philiberte de Mettecoven. Uit dit huwelijk een zoon graaf Henri Bernard François de Hinnisdael, heer van Tongelaar, die later onder curatele kwam van zijn graaf Charles I.Ph Thiennes en François baron de Copis. De voornoemde zager was gehuwd met Therese Marie Ferdinande Isabelle de Hinnisdael de Craym en stierf op 18 augustus 1839. Sinds het overlijden van zijn gemalin op 5 maart 1825 was hij vruchtgebruiker van Tongelaar en resideerde hij op het kasteel Lombize in Henegouwen. Op 18 augustus 1839 werden gravin Marie G.Th. de Thiennes-Lombize, gemalin van graaf P.J.J.C. de Ribeaucourt, te Perck bij Vilvoorde, en haar zuster gravin Francoise L.G. de Thiennes-Lombize, wonende te Lombize, eigenaresse van Tongelaar. Zij waren dochters van graaf Adolphe W.W.C.Ch.M.J. de Thiennes-Lombize, gestorven op 19 januari 1814, en diens gemalin Francoise L.G. de
Merode.
Op 26 november 1814 gaan gravin Marie de Thiennes-Lombize, douairière van graaf P. de Ribaucourt en haar zuster gravin Francoise ten overstaan van notaris Emile Delanney te Mons een scheiding en deling aan. Francoise krijgt Tongelaar, toentertijd 305 hectaren en gelegen onder Gassel met bijbehorende bezittingen onder Beers, Beugen, Escharen, Linden en Mill. Zij huwt na deze deling met Marc A.M.J., markies de la Boessiere-Thiennes , die op 3 februari 1881 overleed. Uit dit huwelijk een kind Gaetan M.A.M.G. markies de la Boessiere-Thiennes, eigenaar van Tongelaar, die op 12 juli 1917 Tongelaar verkoopt aan jonkvrouw Louisa M.C. van Nispen, douairière van EF.M. van Rijckevorsel van Kessel. Zij was nog geen jaar eigenares want op 6 juli 1918 verkoopt zij Tongelaar aan de gebroeders J.S.H.F. en S.J. van Wagenberg te vlijmen en sindsdien is Tongelaar van telgen van het geslacht van Wagenberg te Vlijmen.

Hoofdstuk 12: Verkoop Tongelaar 1917.
Verslag uit het boekje van de openbare verkoop van het landgoed Tongelaar in het jaar 1917 wordt hier genoteerd:
Het kasteel Tongelaar is gelegen in een bosrijke en vruchtbare streek, ongeveer 2 km. van het station Mill, 8 km. van het station Cuijk en ?Km. van Nijmegen.
Het kasteel is door een gracht omringd, heeft een ruime binnenplaats, toren (donjon) uit de 12de eeuw, grote kamers, kapel, stal - en koetshuis, thans ingericht tot boerderij, moestuin, boomgaard en bergplaatsen.

Het landgoed telt 10 bouwhoven ( boerderijen):
Kasteelschen Hof
Groot Garisveld
Beneden Hof
Klein Garisveld
Doelen
Groot Kammerberg
Klein Kammerberg
Meijsche Voort
Ooievaar
Tien Morgen
Verder zullen nog verkocht worden: 1883 eikenbomen, 1381 canadabomen, 23 iepenbomen, 40 kastanjebomen, en 300 fruitbomen.
In genoemd boekje worden ook nog een aantal toponymen vernoemd, welke de moeite waard zijn te vermelden.

De weilanden; de hoge weide, Jan Mersch Bosch, het haverkampje, de innen locht, de buiten locht, het hoog, oppele, de lage Huppele, het biezen wei, het mulderskampje, de lange kamp, de lage wei, hooge weide, het opzichters weitje. de 2e weide, de nacht weide, de ponkeros, jonkersche gribben, achterste leemputten, het padkampje, kraaise kamp, de elskampen, heerenkampje, de hooi geer, de 6 morgen, de hooge del, spitse hoek, de nummerkampen, de parakke hoeven, de vier morgen.
De bouwlanden; De haver wei, de latkamp, het gouddievenbosch, hoogveld, russendonk, hooge locht, lochtje, boschweide, hazen-leger, kapellekampje, klein, garisveld, de achterste hoek, dracht.

Betekenis van toponiem;
Een naam voor een plaats , akker, weide, weg, huis, enz. En in dit geval ontstaan in vroegere tijd. Zulk een naam stelt ons vaak voor een probleem wat de betekenis betreft.

Hoofdstuk 13; Verborgen schatten.
Bij de beschrijving van de huidige toestand moet deels afgedaan worden op een aantal gissingen, omdat de opgravingen ongeveer 4 jaren geleden gedaan zijn, nog geen rapport van de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek heeft opgeleverd. De drukke werkzaamheden van deze dienst op telkens weer nieuwe vindplaatsen ten gevolge van aanleg van wegen, viaducten en dergelijke heeft een beschrijving van de bevindingen vertraagd.
Reeds jaren bekend was, dat onder de grond op het kleine terrein binnen de gracht zich muurresten of gewelven zouden bevinden. Ook is er in de volksmond lang sprake geweest van schatten gedurende de tachtigjarige oorlog begraven. In krantenberichten van enkele tientallen jaren geleden werd nog gewag gemaakt van gouden monstransen, kelken, cibories etc.
Bij de openbare verkoop van Tongelaar in 1917 heeft de verkoper de volgende voorwaarde opgenomen: de verkoper zich voorbehoudt den eigendom van alle voorwerpen van kunst, oudheden, munten en schatten, die zouden worden ontdekt in het vroegere kasteel en speciaal in den bij het te verkopen behorende toren (donjon). Dit voorbehoud zal komen te vervallen na verloop van twee jaren na de totstandkoming van den vrede welke een einde zal maken aan den tegenwoordigen oorlog, voor zover deze België betreft. Gedurende dit tijdstip zal de verkoper de bevoegdheid behouden door of namens hem op het verkochte de noodzakelijke onderzoekingen naar een en ander in te stellen, zonder echter schade te mogen toebrengen aan de bij deze acte te verkopende gebouwen of landerijen.
Een werkelijk vreemde bepaling, want hoe kan men immers zoeken zonder enige schade aan te brengen aan gebouw of terrein. De schatten hingen niet aan de muren, noch lagen zij voor het oprapen op de vloer in het gebouw of boven op het terrein. De meubels waren uit het gebouw bij de verkoop verwijderd. Wellicht heeft de verkoper gedacht aan uitbreiding van oorlogshandelingen in Nederland, waardoor schatten bloot zouden komen te liggen. Heeft hij gehoopt op vondsten tijdens verbouwingen door de nieuwe eigenaar?
Overigens kan het gerucht van een verborgen schat een zeer logische achtergrond hebben.
Grave stond menigmaal aan belegeringen bloot. In het jaar 1602 lag het kamp van graaf Willem van Nassau oostelijk van dat van prins Maurits en noordelijk van Tongelaar. De strooptochten naar Tongeren, Sint Truiden en Hasselt zijn langs Gassel getrokken. In 1672 de Fransen, welke na verovering van Grave en later terugtrekking uit Nederland nog lange tijd Grave bezet hielden.
In 1794 weer een belegering van Grave en wel door de Fransen en in 1813/1814 door de Nederlanders.
Als men de geschiedenis van de oorlogen en de gevolgen voor het Land van Cuijk en de naaste omgeving van Grave leest verwondert het niet, dat wel eens wat en gedurende lange tijd werd weggeborgen. Zelfs in de jongste wereldoorlog is in weinig jaren heel wat verborgen en nimmer terug gevonden.

Hoofdstuk 14; Tongelaar en 1940.
In 1940 heeft Tongelaar ook nog een krijsgeschiedkundige rol gespeeld.
De peellinie loopt langs het gebied. Van de circa 150 militairen sneuvelden er 5 en een gedenksteen op de binnenplaats vermeldt de namen van de gesneuvelden.
Een boerderij op Kamerberg werd geheel vernield, een tweede werd beschadigd. Door middel van omgehakte bomen aan het defensie kanaal doorbraken de lichte Duitse tanks de Peellinie, waarvan de troepen reeds grotendeels waren teruggetrokken.
tongelaar_landelijk.JPG
Kasteel Tongelaar landelijk gelegen

Onderstaand een fotoreportage van het kasteel Tongelaar uit vroegere tijden, alsmede opnames van het interieur van het kasteel van recentelijke datum.
Onderstaande opnames van Aldendriel komen uit het privé bezit van de heer W. Sweens.


foto_kasteel_aldendriel1.jpg
oude pentekening van kasteel Tongelaar, nog voorzien van een ophaalhaalbrug datum tekening is onbekend..

foto_kasteel_aldendriel_2.jpg
Plattegrond van ket kasteel tekenaar(architect) onbekend.


mot_tongelaar.jpg
het mot van Tongelaar. zie voor meer informatie werkgroepen archeologie.


foto_kasteel_aldendriel_3.jpg


foto_kasteel_aldendriel_5.jpg


foto_kasteel_aldendriel_6.jpg


foto_tongelaar_7.jpg


foto_tongelaar_8.jpg


foto_tongelaar_9.jpg
Kasteel Aldendriel in oorlogstijd (2e wereldoorlog mobilisatie)


foto_tongelaar_10.jpg


foto_tongelaar_11.jpg



foto_tongelaar_12.jpg
Catharina van Alexandrië geboren in anno 289
gestorven de marteldood in anno 307


marteldood_van_Heilige_Catharina.jpg
afbeelding van de Marteldood van de Heilige Catharina van Alexandrië
bron: Wikipedia.
Schilderij geschilderd door Jan Provoost (1462-1529).



foto_tongelaar_14.jpg
Felix Walter Priester en rentmeester landgoed Tongelaar


foto_tongelaar_15.jpg


foto_tongelaar_16.jpg


foto_tongelaar_17.jpg


foto_tongelaar_18.jpg


foto_tongelaar_19.jpg
Het houden en onderhouden van een kasteel kost geld, ook toen al.


foto_tongelaar_20.jpg
Rondleiding door Myllesheem georganiseerd , met als gids de heer Willie Sweens.

menu

  • Kasteel Aldendriel inclusief fotoreportage
  • Verslag ontspoorde Duitse pantsertrein
  • Gemeente Mill en St. Hubert: de geschiedenis in vogelvlucht
  • De geschiedenis van de Princepeel inclusief fotoreportage
  • Kasteel Tongelaar inclusief fotoreportage
  • De Kerk in Mill door de eeuwen heen.
  • Het gilde van St. Catharina
  • "Wie de geschiedenis kent, leeft dubbel"
  • De Acaciahof
  • Ergens, waar in Nederland ; door A.H. de Bekker
  • De Kerk van de Heilige Willibrordus te Mill
  • Orgelbouwer Arent van Lampeler Mill
  • Het Patronaat in Mill
  • De erfenis van Graaf Ebroinus AD 721?
  • Pussele de erfenis van Sint Willibrordus Anno Domini 739
  • Mill in het eerste milennium omstreeks AD 1000
  • Mill en de Joncfrouen en Heeren van Kuyc tot 1400
  • De Millse samenleving omstreeks de 14e eeuw
  • Van Mylle tot Mill, rond d'n Moelendicke Ad 1600
  • Predikanten en Roomsche Paepen Ad 1600
  • Over Roomsche en Calvijnsche kasteelheren in de 16e eeuw
  • Over krijtende Heeren en morrend Volk, 17 e eeuw.
  • Dominees tempel en het kapelleke van de gelovigen ad 1715
  • Het Kapelleke, de gelovigen en de wraeke anno 1715
  • Over de wonderen van de bedevaarten in de 16e en 17e eeuw.
  • Over Grande Routes en Snaphanen in de Roomsche Capelle
  • Over de gezworenen, de borgen en de nasleep anno 1715
  • Over doop- en trouwboeken, hoog bezoek en prelaten 17 eeuw
  • Van Kerkepad, Pastoors en Paepsche stoutigheden 17-18de eeuw
  • Van de Hof Pisla, de Abdij, Stericdijcke en de schuur uit 1667
  • Kapel Onze Lieve Vrouw ten Hove
  • Feestgids uitgegeven bij het 70 jarig bestaan van de zangvereniging AMPHION-VONDEL te Mill
  • Bakhuizen in Mill en daarbuiten
  • Een historische wandeling door het jaar 1939
  • Het landhuis in de Stationsstraat 15 in Mill
  • Een vakantiedag met veel spannende herinneringen